De vrijheid komt

Tijdens de slag om Arnhem (17-25 september 1944) zag de doodzieke dichter Joannes Reddingius de vrijheid naderen. De vrijheid die hij niet meer zou meemaken.

Joannes Reddingius (1873-1944) was een productief schrijver, maar toen 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, raakte z’n dichtader verstopt. Hij was zo zeer overmand door de bezetting dat het hem onmogelijk was te dichten. ‘Het lijden om hem heen, in naaste omgeving en in hele de wereld, wekte een ondragelijk gevoel van verslagenheid en machteloosheid – maar ook onverzettelijke wil tot weerstand.’ (voorwoord Uit de diepte, 1946)

Toen hij op 23 februari 1943 noodgedwongen naar Bennekom verhuisde, kon hij weer dichten. Noodgedwongen, omdat het deel van Den Haag waar ze woonden geëvacueerd werd; het gebied van het Haagsche Bosch waar ze vlak bij woonden werd gebruikt als lanceerplaats voor V1’s.

Bennekom

Ze huurden van een jong onderwijzersgezin op Nassaulaan 34 in Bennekom twee kamers en hadden het naar omstandigheden naar hun zin. ‘De natuur is hier prachtig. Fanny [zijn vrouw] en ik maken groote wandelingen door de bosschen en telkens zien we streken, die we nog niet kenden. […] We hebben lindenboomen in onze laan en dat is heel wat anders dan de rij hooge huizen, die in Den Haag aan de overzij van onze straat oprezen.’ Ze hadden het zo naar hun zin dat ze er een toekomst zagen. ‘We zijn van plan in Gelderland te blijven wonen, misschien wel in Bennekom, maar dat is nog toekomstmuziek’. (Brief aan Weduwe Kloos van 6 mei 1943).


De lucht is rood van goud en stil ik ga
Lang ’t oude wegje waar de beuken staan
En waar ik zien kan tegen gloed der luchten
De blanke berken in haar avonddroom.
O Michaël, wees het herfstgetij
Het menschenhart, dat strijden moet, nabij.

In de stilte van de bossen, ‘waar de sfeer van sterven overeenstemde met onze weemoed om al het bloeiende leven dat door geweld tot een einde kwam’, kwamen de zangen weer tot hem, zoals zijn vrouw het verwoordde. Tussen St. Michaël 1942 en Sint Jan 1944 dichtte honderden gedichten, stil, voor zichzelf. Zijn laatste verzen waren sonnetten die vrijwel alle ontstaan zijn uit zijn bewogenheid met het leed der wereld en met het leed van velen, die hem na waren. 

Luchtlanding

“Hij was in Maart ’44 begonnen te sukkelen, pas op het laatst, eind September, kreeg de dokter zekerheid, dat zich een kwaadaardig proces afspeelde, een gezwel van de Pancreasklier. Hij is temidden van het oorlogsgeweld gestorven, maar zeker dat de bevrijding dichtbij was. De luchtlanding bij Wolfheze op 17 september heeft hij van zijn bed uit gezien en was er diep van onder den indruk.” Zo schreef zijn vrouw na Reddingius’ dood aan P.R. Ritter (brief 27 januari 1946)

Joannes Reddingius overleed op 14 oktober 1944. Nog dezelfde dag van zijn overlijden werd hij op de begraafplaats aan de Alexanderweg begraven. De begrafenis vond in alle stilte plaats.

Een week na zijn dood werd Bennekom geëvacueerd vanwege het oorlogsgeweld. Fanny Reddingius-Salomonson ging naar Lunteren en informeerde slechts enkele naasten over haar mans dood. Zijn vrienden moesten negen maanden later zijn dood uit de krant vernemen.  “Toen hij zeventig [19 juni 1943] werd heeft hij eenige interviews geweigerd, omdat hij zijn naam niet in de krant, zooals die toen was, wilde hebben. Ik wist dan ook, volkomen in zijn geest te handelen, door zijn dood niet in de krant te vermelden.”

Na de bevrijding stuurde zij een bericht aan Vrij Nederland en daarin heeft tegelijk het laatste gedicht gestaan uit een bundel Sonnetten die hij in de Bennekomse oorlogsmaanden dichtte:


De Vrijheid komt, de lucht en d' oceaan
zijn vol van haar, wij ademen haar geest,
over de bergen komt zij tot het dal,
neemt woning in het wezen, dat wij zijn.

Haar stem heeft klank van jeugd, want zij is nieuw
en toch zoo machtig, dat het hart haar hoort,
hare muziek en weet zich Vrijheid's kind,
dat in haar adem leeft en strijden wil.

De wind der Ruimte raakt het vuur van 't bloed
en de Gedachte ontstaat, die is als licht
en d'oertoon klinkt van liefde, die is leven,
wij ademen muziek, ons oog wordt helder.
Het is of een bazuin uit hoogten klinkt:
Volk'ren ontwaakt, de tirannie verzinkt!

Reddingius’ grafsteen is aan één kant gevat in een vierkant zuiltje, waar in de bovenhoek een partje zon is gebeiteld; een sprankje hoop in de duisternis (afdeling 6, vak E, nr. 41-42). Een selectie van zijn Bennekomse oorlogsgedichten verscheen postuum onder de titel Uit de Diepte (1946).

Foto Bert Lever

Reddingius’ grafsteen is aan één kant gevat in een vierkant zuiltje, waar in de bovenhoek een partje zon is gebeiteld; een sprankje hoop in de duisternis (afdeling 6, vak E, nr. 41-42).

Meer informatie in Bennekom te boek (bijdrage Bert Lever).

Een menswaardig bestaan

Op 24 november 1988 verscheen er een foto van de 23-jarige Jolanda Venema in de Leeuwarder Courant. De foto toonde haar naakt en met een ‘Zweedse band’ vastgeketend aan een muur in een lege kamer. De foto was de illustratie bij een interview met haar oudersDe kop luidde ‘Geef ons kind een menswaardig bestaan’. De publiciteitsgolf die hierop volgde, leidde inderdaad tot een ander bestaan.

Bij het schrijven van haar levensverhaal voor het Digitaal Vrouwenlexicon Nederland werd ik misselijk en boos. Hoe kunnen we als mensen zo met elkaar omgaan? (zie ook haar lemma in 1001 vrouwen in de twintigste eeuw).

Jolanda Venema met haar ouders, door onbekende fotograaf, 1988 (ANP Photo).

Bertha Herthogh alias Nadra

In december 1950 brak de hel los, toen het Nederlandse meisje Maria Hertogh werd weggehaald bij haar islamitische adoptiemoeder en terugkeerde naar haar Nederlandse katholieke, biologische ouders.

Ze werd speelbal in een internationaal etnisch-religieus conflict over haar adoptie. Ontheemd als ze was, ging ze ‘terug’ in Nederland vier huwelijken aan en kreeg ze elf kinderen. Ze beraamde de moord op haar tweede man en overleefde een aneurysma. Ze overleed aan leukemie en stelde haar lichaam ter beschikking aan de wetenschap. In Maleisië en Singapore is Bertha Hertogh nog altijd een icoon van de strijd tegen het westerse imperialisme. 

Over dit veelbewogen leven schreef ik voor 1001 vrouwen in de twintigste eeuw (2018) en in het Digitaal Vrouwenlexicon Nederland

Bertha Herthogh, door onbekende fotograaf, 1950 (ANP Photo).

Nijhoff’s Idylle in het Renkumse beekdal

Op 10 mei 1940 hield een eskadron huzaren onder leiding van de dichter-kapitein Martinus Nijhoff (1894-1953) de Duitse invasietroepen enkele uren tegen. Dit huzarenstukje maakte de evacuatie van Wageningen mogelijk. Het vervolg van de gevechten op de Grebbeberg is bekend.

Na de capitulatie schreef de gewonde dichter in het Diaconessenhuis te Utrecht in enkele dagen de idylle ‘Protesilaos en Laodamia’. ‘Ik had behoefte aan Grieksch ‘‘azuur’’, aan transpositie [transparantie], na het zien der soldatengraven,’ schreef Nijhoff aan collega Hendrik de Vries. Het kan geen toeval zijn dat Nijhoff juist deze stof voor de leerlingen van het Utrechts Stedelijk Gymnasium koos: het toneel is een zomerlandschap met een eik, waaronder een speer met een helm erop staat, ten teken dat er een soldaat is begraven. De Trojaanse oorlog is voorbij en de overlevenden gaan naar huis. Als eerste gevallene mag Protesilaos van Zeus de onderwereld één uur verruilen voor zijn aardse huis.

Eenmaal hersteld veerde de vrijgelaten kapitein op en vond als dichter hinkend zijn weg in de illegaliteit.

Het lijkt mij een tof idee om ter nagedachtenis aan de gebeurtenissen die eerste oorlogsdagen op 10 mei deze idylle van Nijhoff op te voeren in het Renkumse beekdal. Bij een van de prachtige eiken.

Muurbloempje

In mijn eentje op een receptie voel ik me ergens ongemakkelijk, ook al ben ik een vlotte prater. Ergens voelt het als een muurbloempje op de dansschool. Inlevend als ik ben, denk ik dat anderen zich ook zo voelen en maak ik wat geforceerd praatjes met andere alleenstaanden op recepties.

Zo stond ik aan het begin van deze herfst even alleen naast een dame. Allebei met onze rug tegen de muur van het Amsterdam Museum. Ik weet niet meer wat ik vroeg, maar het ging zeker niet over de beveiliging van de hoogwaardigheidsbekleders. ‘Nee hoor, ik overzie de situatie prima zo met mijn rug tegen de muur. De beveiliging is ok’ leek ze me gerust te stellen dat het met haar en de beveiliging goed zat. 

Haar divergente antwoord sloeg me even stil. De dame vroeg beleefd of ik ook voor het museum werkte. ‘Nee, ik ben een van de auteurs. Wat doe jij bij het museum.’ ‘Ik heb Majoor Bosshardt ingesproken voor de audiotour’, zei ze. Voordat ik kon vragen waarom juist Bosshardt begon burgermoeder Femke Halsema een hartelijk praatje met mijn buurvrouw. Waar ik niet in werd betrokken. En voordat ik met mijn ogen had geknipperd sprak onze koning lachend deze ‘museummedewerker’ aan. Ik stond als muurbloempje naast een nationale bekendheid. Alleen kende ik haar niet! Ergens vaag had ik haar gezicht weleens gezien

Google is mijn beste vriend: audiotour Amsterdam Museum Majoor Boshart. Deed het werk. Maar wie is in vredesnaam Ellie Lust? Sorry mevrouw Lust, ik kijk geen ‘Wie is de Mol, noch ‘Opsporing verzocht’, DWDD of Ellie op Patrouille . Volgende keer stel ik me gewoon voor als ik een vreemde aanspreek op een receptie, dat voelt veel minder ongemakkelijk. (N.B. het zomeravondgesprek had best willen onthouden). 

przewalskipaard

Gister was het 28ste Nationaal Dictee, voor het eerst op de radio. Ik heb er een haat-liefde-verhouding mee. De regels vind ik interessant, maar ik heb een slecht woordbeeld. Al die exotische woorden maken het dictee ronduit vervelend. De exoten juist kunnen spellen zegt niet over je taalvaardigheid. Gelukkig besefte Wim Daniëls dat!

De enige goede herinnering die ik aan exotische dictee-woorden heb, was als eerstejaars Nederlands. Kees Fens schreef het eerste dictee in 1990. In het college namen we de valkuilen door. Alleen omdat ik ranger van het Wereld Natuur Fonds was geweest, wist ik hoe ik przewalskipaard moest worden gespeld.

Einde van de Grote Oorlog

Honderd jaar geleden eindigde De Grote Oorlog ook voor de tiener Jos Hoeck (1898-1968). Deze jonge Vlaamse dichter had in april 1915 in het Vluchtoord Ede een bundel oorlogspoëzie uitgeven. Samen met later min of meer bekende auteurs Johan de Maegt (1876-1938), Marcel van de Velde (1898-1964) en Martin J. Premsela /Martin Permys (1896-1960) schreef hij in het kampblad Ons Leven. Onder andere het gedicht ‘De Vredesengel’ (gedateerd 26 september 1915):

O heil’ge vredesengel, wonderschone fee,
o ruw en snood verdreven, dierbaar liefdepand!
Der mensen lijdend hart, geprangd in snerpend wee,
door ‘t oorlogsmonster vastgesnoerd aan ijzeren hand
verheft zich, droef’lijk klagend, bang, en roept u aan.
Het smeekt om laaf’nis,*1 troost, geknakt door ‘t zware leed.
Het weent, het rouwt, vervloekt in brandend heet getraan
het grijnzend noodlot, ruw, meedogenloos en wreed.

Op ‘t ijs’lijke slagveld, roodgedrenkt met hartenbloed,
waar alle mens’lijk-rein gevoel wordt afgeweerd,
waar broedermoord men roemt en loont als ‘t hoogste goed,
waar zwaait de zeis des doods, door bloeddorst stug beheerd,
daar vallen rij aan rij de scharen jong en schoon.
Waarom gemoord, waarom dat schuld’loos bloed gevloeid
en ‘s mensen zielenadel zwart bevlekt met hoon?
Waarom zo wreed de smart en rouwe rondgestrooid?

Het mensdom ligt geknield en smeekt op bange toon
om  vrede, dierb’re vrede, zoet, bekoorlijk woord.
O heil’ge vredesfee, beklim uw gouden troon,
verjaag de oorlogsgesel, mijd de broedermoord,
verstom ‘t kanongedreun, verstom de wilde haat.
Verenig volk en volkje hecht in liefdeband
en heers voor eeuwiglang, de volk’ren wel te baat,
opdat ze leven saam, in vrede, hand in hand.