Schraalhans keukenmeester

De avonden op je bord

Inleiding

Gerard Reve beschrijft in De avonden (1947) de periode 22 t/m 31 december 1946 uit het leven van de 23-jarige kantoorklerk Frits van Egters. De geschetste verstikkende gezinssfeer in de roman is weliswaar een voor het verhaal noodzakelijke verhaaltechnische condensering van alle denkbare relationele ellende en tragedie, maar het tijdsbeeld is wél geschetst naar de werkelijkheid van het gezin Van het Reve. Zoals ook de personages en locaties geschetst zijn naar de werkelijkheid. Ook al is de roman voorzien van de disclaimer ‘Elke gelijkenis van figuren of voorvallen in dit verhaal met werkelijke personages of gebeurtenissen is toevallig.’

Omslag De avonden, eerste druk 1947

De komende tien dagen verschijnt hieronder iedere dag het menu zoals dat op die datum in De avonden werd gegeten. Ieder menu gaat vergezeld van een toelichting en citaten uit de roman. Zo kom je te weten waarom Frits van Egters zo gefixeerd is op vleesjus. De avonden werd in 1946 geschreven. Toen was eten bijvoorbeeld nog op de bon. Je leest hoe de voedselvoorziening destijds geregeld was en dat het beeld van eten in de roman wordt bepaald door hoe Gerard Reve met zijn familie de hongerwinter doorkwam. Schraalhans keukenmeester verwijst naar Reve’s gelijknamige verhaal en naar het sobere eten dat in De avonden wordt geserveerd.

Wie na die tien dagen de smaak te pakken heeft, kan een boekje bestellen met alle menu’s en toelichtingen. Laat dan hier je naam en e-mailadres achter.  Je krijgt Schraalhans keukenmeester. De avondeten op je bord dan in het nieuwe jaar toegestuurd.

Schraalhans keukenmeester

Avondeten in De Avonden

De avonden (1947) van Gerard Reve is voor een culinair historicus een prima bron om te weten wat er bij een gewoon Amsterdams huishouden net na Tweede Wereldoorlog op tafel kwam. Het gezin Van het Reve at sober, voedzaam en naar de omstandigheden smakelijk, maar in onze ogen was schraalhans keukenmeester.

Omslag De Parelduiker 2020/5

In De Parelduiker publiceer ik in december een korte bijdrage over de avondmaaltijden in De avonden. De laatste tien dagen van 2020 verschijnt er op deze website dagelijks een menu zoals dat de laatste tien dagen van 1946 door de Frits van Egters wordt gegeten.

Brood bakken voor een kruistocht

Kinderboeken Bakken (3)

Lezen en bakken zijn fijne bezigheden als je binnen moet blijven. Dit is deel 3 in de serie Kinderboeken Bakken. In ieder deel bakken we een recept uit een bekend kinderboek. Deze keer Kruistocht in Spijkerbroek (1973) van Thea Beckman. Het boek is ook verfilmd. De trailer kijk je hier.

De vijftienjarige Dolf komt via een tijdmachine terecht in de Middeleeuwen. De bedoeling is dat hij een beetje sfeer kan proeven en daarna weer wordt teruggeflitst naar het heden. Maar natuurlijk gaat dat mis… Hij komt terecht in een kinderkruistocht: 8000 kinderen die vanuit Duitsland op weg zijn naar Jeruzalem om de stad te bevrijden van de ongelovige Arabieren. Er zit niets anders op dan met hen mee te gaan. Hoe komt hij ooit nog terug naar huis? Ondertussen moeten hij en de kinderen eerst zien te overleven en dat kost al moeite genoeg.

Hij helpt de kinderen tijdens de barre, avontuurlijke tocht door de bergen, durft op te treden tegen de (valse) leiders van de kruistocht en organiseert eten voor de kinderen door zelf brood te gaan bakken.

Het kostte hem moeite om de straat van de bakkers terug te vinden in de stille, donkere stad. Eindelijk stond hij, toch nog onverwachts, voor de bakkerij van Gardulf. Er viel licht door de luiken. Opgelucht klopte hij aan. ‘Zo ben je daar. Je hebt er je tijd voor genomen,’ gromde de bakker, die zelf de deur opende.

‘Het spijt me. Er waren een paar moeilijkheden in het kamp,’ zei Dolf, die vergat zich als een jonge edelman voor te doen.

‘Wat is er met je kleding gebeurd?’

‘Ik viel in het water.’

Hoofdschuddend ging Gardulf hem voor naar de bakkerij en tot zijn grote vreugde zag hij daaar Frank, druk bezig deeg te kneden. Ook de knechten waren uit hun bed gehaald en werkten ijverig. ‘Ik ben maar gebleven om een handje te helpen,’ zei Frank eenvoudig. Dolf had hem wel kunnen omhelzen. Snel trok hij zijn vochtige trui uit, die de bakker tedrogen hing, en stortte zich op het werk.

Deeg kneden is zwaar werk. Gardulf met zijn gespierde armen deed en een uut meer dan de twee jongens samen, maar hij mopperde nauwelijks. Hij zag wel dat zij dit niet gewend waren en ook eigenlijk te moe waren om op hun benen te staan.

In de loop van de nacht kwamen de warmen broden plank na plank, goudbruin uit de oven. De knechten stapelden ze voor de deur op, want de bakkerij was te klein om ze te kunnen bergen. Dolf zag de stapel groeien, terwijl er maar een gedachte door zijn hoofd maalde: De kinderen moeten eten. Ik wil niet dat ze ziek worden, daarom moeten ze eten.

Ingrediënten

De basisingrediënten voor brood zijn meel/bloem, lauwwarm water, gist en zout. Je kan niet zomaar iedere meelsoort gebruiken. Van bloem maak je licht en luchtig brood en van meel, stevig volkoren brood. Je kan ook half meel, half bloem doen. De meeste andere meelsoorten zoals boekweitmeel, amandelmeel of kokosmeel bevatten geen gluten en zijn dus niet zomaar geschikt voor dit recept.

Dit is een basisrecept voor één brood zoals Dolf het bakte. Hiermee kun je lekker gaan experimenteren. Voeg rozijnen en krenten toe voor een zoet brood, of kaas en uien voor een lekkerder brood. Je kunt natuurlijk ook experimenteren met glutenvrije meelsoorten.

  • 500 gram (spelt)bloem
  • 10 gram zout
  • 7 gram droge gist (zakje)
  • 320 ml lauwwarm water

Benodigdheden

  • Beslagkom
  • (olijf)olie
  • theedoek / vershoudfolie
  • bakplaat
  • bakpapier
  • (keukenmachine)

Weeg de ingrediënten nauwkeurig af en meng ze in een kom even snel door elkaar met een lepel. 

Kneed er een soepel deeg van. Je kunt het met een keukenmachine kneden, maar wij kneden net als Dolf met de hand. Kneed het deeg zeker vijftien minuten. Nu weet je waarom Gardulf twee keer zoveel broden kon kneden als Dolf en Frank.


Je deeg is klaar als het elastisch en licht plakkerig aanvoelt. Het moet zo soepel zijn dat je het als een kauwgombal uit elkaar kunt trekken. Scheurt het meteen? Kneed het dan nog even door, het deeg is nog niet goed genoeg gekneed. 

Leg het deeg in een met olie ingevette kom en draai het even om (zodat alle zijdes bedekt zijn met de olie). Laat het ongeveer een uurtje rijzen op een warme plek onder een stukje vershoudfolie of een vochtige theedoek.  Het deeg is klaar als het in volume verdubbeld is. Als je er in prikt met je vinger, moet het gat zichtbaar blijven.

Druk de lucht er voorzichtig uit met je vingertoppen.  Druk het uit tot een cirkel. Vorm nu een mooie bol van het deeg. In de Middeleeuwen hadden ze nog geen bakblik voor een rechthoekig brood. Je maakt een bol door de buitenste zijdes naar binnen te halen. Draai de bol om en laat deze een kwartiertje rusten onder de theedoek of het vershoudfolie. 

Leg de bol op een bakplaat bekleed met bakpapier. Laat het deeg nogmaals een klein uurtje rijzen op een warme plek. Dek het deeg wederom af met een vochtige theedoek of een stukje vershoudfolie. Verwarm in de tussentijd de oven voor op 200 graden.

Bak het brood in ongeveer 35 minuten goudbruin. Je brood is klaar wanneer het hol klinkt als je op de onderkant klopt. Laat het brood afkoelen op een taartrooster.  

Tip

De kinderen op kruistocht waren uitgehongerd en aten de broden natuurlijk direct op. Is jouw brood een beetje oud geworden is kan je weer krokant maken door het een minuut of 10 te verwarmen in de oven op 180 graden. En als het echt niet meer te redden is, maak je er wentelteefjes van.

Botanicus Karel Heyne

Onbekende Bennekomse graven (2)

Soms tref je op de Bennekomse begraafplaats een bijzonder graf. Zoals die van botanicus Karel Heyne en zijn vrouw Ida van Oorschot is geruimd (locatie 07.I.55)

Botanicus

In april 1927 kwam er een botanicus in Bennekom wonen: Karel Heyne. Hij bewoonde met zijn echtgenote Ida van Oorschot (1875-1957) Villa Albertina (Edeseweg 46, later nr. 50). In de tuin had hij twee kassen met daarin (sub)tropische planten. Elke nacht stond hij om vier uur op om de kachels in de kassen van kolen te voorzien. Deze toewijding voor zijn planten is kenmerkend voor de man die bekend werd door publicatie van het handboek De nuttige planten van Nederlandsch-Indië (1913-1917). Het eerste standaardwerk over dit onderwerp in Indonesië.,

Karel Heyne werd op 30 augustus 1877 geboren in Amsterdam. Karel Heyne had nauwelijks scholing genoten toen hij als jonge twintiger rond de eeuwwisseling als handelsemployé bij de ‘Koninklijke Pakketvaart Maatschappij’ naar Java vertrok.

(Bron:  PROSEA Newsletter, Special Issue No. 1, February 1994

Nuttige planten

In 1903 trouwde hij Wilhelmina Louise Visser (1871-1913) en samen kregen ze twee zonen (1905, 1906). In januari 1906 werd Heyne aangesteld als hoofdconservator van het Museum voor Economische Botanie in Buitenzorg. Daar begon hij aan aan het handboek De nuttige planten van Nederlandsch Indië dat zijn levenswerk zou worden.

Het boek beschrijft de planten en bomen van Indonesië, die van nut zijn voor de mens. Bijvoorbeeld omdat zij dienen als voedsel, brandstof, medicijn, bouwstof, vezel, kleurstof, specerij of siergewas. Heyne verzamelde minutieus de informatie over de botanische eigenschappen, de ecologie, de teelt, de oogst, de bewaring, de verwerking, de chemische, fysische en farmaceutische karakteristieken en de economische betekenis van duizenden bomen en planten.

Na het overlijden van zijn echtgenote in 1913 hertrouwde Heyne in 1920 met Ida van Oorschot (Ambarawa 22 juli 1875 – Bennekom 5 februari 1957). In 1926 trad Heyne terug als conservator, waarvoor hij werd gedecoreerd als officier in de Orde van Oranje Nassau. In april 1927 repatrieerde hij naar Nederland, waar hij en zijn vrouw dus aan de Edeseweg gingen wonen.

Op 11 november 1947 overleed Heyne op 70-jarige leeftijd. Zonder nog een voet op Indonesische bodem te hebben gezet.

Bron: Bert Lever 2020

Betekenis

Heyne’s boek had lang grote betekenis voor de land-, tuin- en bosbouw in Indonesië, maar was uiteindelijk deels achterhaald en voor velen onleesbaar omdat het geschreven was in ouderwets Nederlands. Een taal die steeds minder mensen in Indonesië beheersten. Daarom is het handboek voor de eeuwwisseling mede door de Wageningen Universiteit in twintig delen geactualiseerd. Maar ook dit nieuwe standaardwerk is schatplichtig aan de ‘oude’ Heyne

Bron: Bert Lever, 2020.

Krentenbollen van Kruimeltje

Kinderboeken Bakken (2)

Lezen en bakken zijn fijne bezigheden als je binnen moet blijven. Dit is deel 2 in de serie Kinderboeken Bakken. In ieder deel bakken we een recept uit een bekend kinderboek. Deze keer bakken we krentenbollen uit Chris van Abkoude zijn boek Kruimeltje (1923). Ondertussen is er tijd om een stukje uit het boek te lezen of de film te kijken.

Kruimeltje

Harry Volker, beter bekend als Kruimeltje, is een tienjarige jongen in het Rotterdam. Hij is te vondeling gelegd en is inmiddels een straatjochie geworden. Hij maakt vaak lol door te sleeën met zijn vriendjes of stiekem zonder te betalen naar de bioscoop te gaan. Kruimeltje moet voor zichzelf zorgen, want zijn pleegmoeder Koster laat hem alleen binnen als hij geld meebrengt. Zo scharrelt hij vaak zijn kostje bij elkaar. Zoals op de winterse zaterdag in 1916 waarmee het boek begint:

D’r uit of ik trap je d’r uit!’ Geef me ‘n krentebol,’ smeekte het jongetje. Woedend stoof de dikke bakker op hem af en zou zeker de daad bij het woord gevoegd hebben, als niet een goedhartige juffrouw tusschenbeide gekomen was.

Geef den stumper maar een krenåtebol, bakker, ik zal ‘t wel betalen.’

De bakker keek haar verbaasd aan, scheen zich toen te bezinnen.

Niet noodig,’ zei hij, ‘voor ditmaal zal ik hem er een geven, maar warme krentebollen worden niet voor dat tuig gebakken.’

En met deze woorden wierp hij het jongetje een der bollen toe. Als een havik vloog de knaap er op aan en verliet den winkel.

Als hij ‘s avonds thuiskomt is zijn verzorgster de gemene mevrouw Koster weer eens dronken. Die pakt hem zijn krentenbol af:

Wat heb je daar in je zak… geef hier…’

Nee, dat geef ik niet,’ schreeuwde Kruimeltje, ‘dat is een krentebol, die ik van den bakker gekregen heb.’

Geef dan dadelijk hier,’ gilde het wijf, ‘die lusten we hier ook wel en jij kan wel weer nieuw halen…’

Ze rukte den bol uit Kruimeltjes hand en begon hem smakelijk op te eten.

Kruimeltje beet zich op de lippen van ingehouden woede en spijt. Toen draaide hij zich met een ruk om en liep de kamer uit. Buiten trok hij de deur met een slag toe.

Zo begint voor Kruimeltje het grote avontuur dat hem een vader en een moeder brengt. En af en toe een krentenbol. Op een keer helpt Kruimeltje een ándere bakker bij het deeg kneden. Daarbij zit zijn hond Moor een rat achterna zit, waarna beide dieren vechtend in de deegbak terechtkomen. Als oprotpremie krijgt Kruimeltje een paar krentenbollen.

Gelukkig zijn wij niet afhankelijk van de goedheid van bakkers en kunnen we zelf krentenbollen bakken. We maken extra luxe krentenbollen.

Wat heb je nodig

  • 300 gram rozijnen of krenten
  • 500 gram bloem
  • 15 gram gedroogde gist
  • 3 flinke eetlepels witte basterdsuiker
  • 300 ml melk(vervanger)
  • 2 eieren
  • 10 gram zout
  • 50 gram (zachte) (room)boter
  • rasp van de schil van 1 citroen
  • 100 gram gedroogde abrikozen

Hoe je het doet

  1. Week de rozijnen of krenten (of een mengsel van beide) een uurtje in warm water.
  2. Laat de boter zacht worden op kamertemperatuur.
  3. Zeef de bloem.
  4. Verwarm de melk tot lauwwarm, en los er de basterdsuiker en gedroogde gist in op. Giet bij de bloem.
  5. Kneed er met de hand of met de mixer met deeghaken (op de laagste stand) een mooi deeg van. Neem daar even de tijd voor: hoe langer je kneedt hoe beter het deeg wordt.
  6. Vorm het tot een gladde bal en leg het in een kom onder een schone theedoek 20 minuten te rijzen op een warme plek.
  7. Breek ondertussen de eieren (houd een heel klein beetje ei apart in een schaaltje) en mix de zachte boter, citroenrasp en zout door elkaar. Roer dit mengsel door het deeg.
  8. Giet de rozijnen af en dep ze droog. Snijd de gedroogde abrikoosjes in stukjes, ongeveer even groot als de rozijnen en kneed de rozijnen en abrikozen door het deeg. Blijf kneden tot het deeg soepel en elastisch is en niet meer plakt. Misschien moet je wat extra bloem toevoegen, als het te kliederig blijft.
  9. Maak er een bal van en laat weer 20 minuten rijzen onder de schone theedoek.

Het bakken van krentenbollen kost even tijd, dus je hebt alle tijd om tussendoor te lezen in de het boek zelf. Hier de digitale versie.

  1. Haal het deeg weer tevoorschijn en vorm een lange rol. Snijd de rol in ongeveer 24 ongeveer gelijke delen. Wil je precies evengrote krentenbollen, gebruik dan een weegschaal. Het komt niet hele precies, maar je wil wel dat je krentenbollen tegelijk gaar zijn.
  2. Vorm de stukjes deeg snel tot balletjes en leg die op een bakblik met bakpapier. Ze gaan nog rijzen dus laat wat ruimte tussen de bollen.
  3. Zet het bakblik nog eens 20 minuten weg zodat de bollen kunnen rijzen.

Weer een pauze. Misschien kijk je liever de film dan dat je leest. Hier kun je de film kijken en hier ook.

  1. Verwarm de oven voor op 250 graden.
  2. Kluts dan het eiwit dat je bewaard had goed los met een paar druppels water en smeer met een kwastje de bovenkanten van alle krentenbollen in met een dun laagje ei.
  3. Als de oven goed heet is zet je het bakblik erin. Laat de bollen in ongeveer 15 minuten mooi bruin bakken. Ruik je de krentenbollen al? Dat moet Kruimeltje op straat ook geroken hebben.
  4. Haal je krentenbollen uit de oven en laat ze afkoelen op een rooster, zodat de onderkant ook goed kan afkoelen.

Turks fruit van de heks

Kinderboeken Bakken (1)

Lezen en bakken zijn fijne bezigheden als je binnen moet blijven. Dit is deel 1 in de serie Kinderboeken Bakken. In ieder deel bakken we een recept uit een bekend kinderboek. We beginnen met Turks Fruit uit De Kronieken van Narnia: De leeuw, de heks en de kleerkast (1950) van C.S. Lewis. Een stukje lezen uit het boek doe je hier.

De kinderen Peter, Susan, Edmund en Lucy Pevensie worden in 1940 geëvacueerd uit Londen, omdat het daar door de Tweede Wereldoorlog te gevaarlijk voor ze is. Ze worden gehuisvest in het grote huis van een vriendelijke professor. Lucy ontdekt als eerste een kleerkast zonder achterwand. Via die kast komt ze in een winters sprookjesland: Narnia.

Deze wereld is betoverd door Jadis, de Witte Heks. De voorspelling is dat er ooit een einde aan haar heerschappij zal komen als vier kinderen in Narnia komen. Daarom wil de Witte Heks dat alle kinderen aan haar worden uitgeleverd.

Edmund volgt zijn zusje Lucy een keer door de kast naar het geheimzinnig Nardia, maar Lucy vindt hij niet. Hij ontmoet wel de Witte Heks zelf. Zij noemt zich de koningin van Narnia. In plaats van hem iets naars aan te doen biedt ze hem betoverde chocolademelk aan.

‘Wat zou je er het liefst bij willen eten?’

Marsepein alstublieft, Majesteit,’ zei Edmund.

Weer liet de koningin een druppel uit haar flesje in de sneeuw vallen en meteen stond er een ronde doos meteen groenzijden lint erom. De doos werd opengemaakt en hij bleek tot aan de rand toe val te zotten met het heerlijkste snoepgoed dat je je kunt bedenken: marsepein! Elk blokje was zacht en zoet tot helemaal binnenin en Edmund had nog nooit zoiets verrukkelijks geproefd. Hij had het lekker warm gekregen en voelde zich nu helemaal op zijn gemak.

Terwijl hij zat te eten stelde de Koningin hem allerlei vragen. In het begin dacht Edmund er af en toe nog wel aan hoe onbeleefd het is om met volle mond te praten, maar algauw was hij dat helemaal vergeten en dacht hij er alleen nog maar aan hoe hij zoveel mogelijk marsepein in zo weinig mogelijk tijd naar binnen kon werken. En hoe meer hij ervan at, hoe meer hij hebben wilde ; en geen moment vroeg hij zich af waarom de Koningin eigenlijk zoveel van hem wilde weten.

Zo komt de Koningin van Edmund te weten dat ze thuis met vier kinderen zijn, wat haar natuurlijk bijzonder interesseert. Ondertussen eet Edmund alle marsepein op.

Edmund zat heel nadrukkelijk naar de lege doos te kijken en hoopte dat zij zou vragen of hij nog meer wilde. De Koningin wist waarschijnlijk heel goed wat hij dacht, want zij wist dat dit betoverde marsepein was – hoewel Edmund daar niets van had gemerkt. Wie er eenmaal van geproefd had, wilde er steedas maar meer van eten en zo iemand zou er (als niemand hem zou tegenhouden tenminste) net zo lang van dooreten tot hij er dood bij neerviel.

Maar de Koningin geeft hem geen marsepein meer. Ze belooft hem wel dat hij haar opvolger zal worden als hij zijn broer en zusjes meebrengt. Edmund vindt dit wel een goed idee. Vooral omdat ze hem nog meer snoepgoed belooft. Door de verslavende werking van de marsepein kan ze degenen die het hebben gegeten makkelijk controleren.

Geen marsepein

Het snoepgoed waaraan de heks Edmund verslaafd maakt, is geen marsepein maar Turks fruit. In het Engelse origineel heet het snoep Turkish Delight. Dit snoepgoed zette de Nederlandse vertalers van het verhaal in 1950 voor een probleem. Turkish Delight was toen in Nederland nauwelijks bekend. Er bestond geen Nederlandse naam voor. In 1956 werd het boek opnieuw vertaald. Toen vertaalde de vertaler Turkish Delight als Turkse noga. Immers noga bestaat net als Turks fruit uit rechthoekige blokken. De vertalers sinds 1983 maken er marsepein van, wellicht om associatie met de roman van Jan Wolkers te vermijden. Turks Fruit is namelijk ook de titel van een bekend boek van Jan Wolkers.

Turks Fruit

Turks fruit is een zoete lekkernij die veel in in Turkije, Cyprus, Griekenland, Albanië en Servië wordt gegeten. Het bestaat voor een groot deel uit suiker of honing, fruit, kokos en gelei, soms met nootjes (zoals hazelnootjes, amandelen en/of pistachenootjes). Het kan verschillende kleuren hebben. Kun jij net als Edmund ook verslaafd raken aan Turks fruit?

Wat heb je nodig

  • 1 biologische sinaasappel
  • 250 gram suiker 
  • ½ deciliter water
  • 2 blaadjes gelatine 
  • 5 eetlepels maizena
  • 1 eetlepel citroensap 
  • 25 gram gepelde en gehakte pistachenootjes
  • 3 eetlepels poedersuiker

Je kunt Turks Fruit natuurlijk met allerlei andere smaken maken, maar dit recept is met sinaasappel.

  1. Allereerst rasp je de schil van de sinaasappel.
  2. Pers de sinaasappel uit. Bewaar de geraspte schil dus!
  3. Het sap en rasp breng je aan de kook met een halve deciliter water, voeg hier ook de 250 gram suiker aan toe.
  4. Laat de gelatine 5 minuten in koud water weken.
  5. Ondertussen kun je de pistachenootjes fijnhakken en een cakevorm invetten.
  6. Maak van 4 eetlepels maizena (bewaar 1 eetlepel), het citroensap en 3 eetlepels water een papje. Voeg dit maizenapapje toe aan je sinaasappelpapje. Laat dit op hoog vuur zo’n 5 minuten koken, tot het dik en stroperig is.
  7. Knijp de gelatine uit, haal de pan van het vuur en voeg de gelatine toe aan je siroop/papje. Voeg eventueel ook je pistachenootjes toe.
  8. Doe je siroop in het ingevette bakblik en en laat deze 8 uur in de koelkast opstijven.

Nu is je Turks Fruit bijna klaar:

  1. Snij het Turks fruit in blokjes.
  2. Voeg de overgebleven maizena bij het poedersuiker en strooi deze over je gesneden blokjes Turks Fruit.

Klaar! Heerlijk voor bij kaneelthee of bij Harry Potters boterbier. Bewaar je Turks Fruit in een afgesloten bakje of trommel.

Een tragisch ongeluk

Onbekende Bennekomse graven (1)

Algemene begraafplaats Bennekom (graf 04.A.09)

Het was woensdagmorgen 26 januari 1938. Andries van Renssen had op Nassaulaan 34 net zijn vrouw Clasina en tweejarige dochter Toosje gedag gezegd. Hij was per fiets op weg naar zijn werk in Ede. Hij werkte voor de Nederlandse Christelijke Radio Vereniging (NCRV). De propaganda-afdeling van deze omroep bevond zich op de bovenverdieping van de villa van NCRV-bestuurder Derk Pereboom op Stationsweg 24.

Het was een natte, koude ochtend. Het was half negen. De zon kwam net op toen Van Renssen voor de spoorwegovergang moest wachten op de trein van Utrecht naar Arnhem. Toen de trein was gepasseerd, de slagbomen waren opgehaald en de file auto’s, fietsers en wandelaars zich in beweging zette, slipte zijn achterwiel op de natte rails. Juist op het moment dat naast hem een met stenen geladen vrachtwagen reed. De jonge vader viel precies onder de dubbele achterwielen van de vrachtwagen. Zijn linkerbeen werd volledig verbrijzeld. Hij lag op het spoor. De D-trein Hoek van Holland – Bazel liep vertraging op.

Complicaties

Ondanks de verschrikkelijke pijn bleef Van Renssen bij kennis, ook toen dokter De Haan eerst hulp verleende. Eerst werd hij naar het Johanniter ziekenhuis in zijn woonplaats gebracht. Later werd hij met de ziekenauto van Van Laar overgebracht naar het Diaconessenhuis in Arnhem. De bedoeling van de Arnhemse artsen was zijn been te amputeren. Ondanks de ernstige verwondingen werd daar niet direct voor zijn leven gevreesd. Zich bewust van de ernst van de situatie sprak Van Renssen nog met zijn vrouw. Hij vertelde haar dat hij graag bij zijn gezin wilde blijven, maar dat als dat niet meer mogelijk was, het ook goed zou zijn. Niet voor niet had hij zijn huis aan de Nassaulaan ‘Gratia Felix’ (gelukkig door genade) gedoopt. Andries van Renssen overleed om kwart over twaalf in het bijzijn van zijn vrouw aan de complicaties van zijn verwondingen.

Op zaterdagmiddag 29 januari 1938 werd hij op de Algemene begraafplaats in Bennekom ter aarde besteld. Zijn graf bestaat nog steeds (04.A.09) omdat hij bijzonder actief was geweest voor de NCRV.

Rotterdammer

Andries Renssen hzn werd op 2 februari 1902 te Rotterdam geboren als zoon van Hendrik van Renssen (1873-1936), koopman in machine-oliën, en Antonia van Os (1877-1914). Hij bezocht de lagere school in zijn geboortestad. Op zijn twaalfde overleed zijn moeder en zeven maanden later hertrouwde zijn vader met Francina Duijzers (1884-1960). Ondertussen doorliep Andries de Christelijke HBS en een christelijke kweekschool. Als jongeling was hij actief in gereformeerde kring. Zo was hij oprichter van jongelingenverenigingen op gereformeerde grondslag Timotheus en prof. Biesterveld.

Op 1 mei 1920 haalde Van Renssen zijn onderwijzersakte en later die maand zijn diploma stenografie Duits. Hij ging niet voor de klas, maar werkte enige tijd op de administratie van de oliehandel van zijn vader. Hij was ook kerkelijk actief. In 1924 was hij penningmeester van zowel een plaatselijk actiecomité van de Nederlandse Drankbestrijding als van de Protestantsche Dragersvereeniging ‘Recht en Billijkheid’. Een vereniging die zich ten doel stelde stoffelijke overschotten ten grave te dragen en de opbrengsten daarvan ten goed te laten komen aan de minderbedeelden.

In december 1924 verhuisde hij naar Tramweg 28 (nu Churchillweg) in Wageningen. Daar werd hij namelijk vertegenwoordiger van de uitgeverij Zomer & Keuning. In oktober 1926 keerde hij terug naar zijn oude adres Snellemansdwarstraat 13b in Rotterdam. Om halverwege 1927 naar Utrecht te verhuizen. Op verzoek van het NCRV-bestuur was Van Renssen per 1 maart 1927 namelijk als ambtenaar in dienst van de NCRV getreden. Op 29 september 1929 trouwde hij in Rotterdam met Clasina van der Voorde (Rotterdam 2 februari 1902 – Bolsward 23 juli 1998).

NCRV

In de beginperiode bij de omroep was hij op de achtergrond de rechterhand van de Bennekomse omroepvoorzitter Abraham van der Deure als deze door het land trok. Soms trad hij op als radio-omroeper en later hield hij geregeld zelf spreekbeurten in het land. Bovendien verzorgde hij de notulen van de hoofdbestuur en het dagelijks bestuur van de NCRV.

De wortels van de NCRV liggen voor een belangrijk deel in onze omgeving. Mr. Abraham van der Deure uit Bennekom richtte samen met ds. Pieter Dommisse uit Maassluis de eerste Nederlandse  omroepvereniging op. Andere bestuursleden waren: Derk Pereboom uit Ede, programmaleider en eerste omroeper P.C. Tolk (Hilversum) en drukker van de omroepgids en ledenadministrateur Carel Keuning uit Wageningen (directeur uitgeverij Zomer & Keuning). In de beginjaren kwamen deze vier bestuursleden elke dinsdagavond bijeen bij Van der Deure thuis, eerst in huize ‘Delborgo’ en later in villa ‘Westereng’. Vanaf 1930 vergaderde het dagelijks bestuur van negen leden in Utrecht.

Nassaulaan

Behalve voor het bestuur, werkte Van Renssen ook voor de propaganda-afdeling in Ede en had hij de leiding over de kinderuurtjes en de schooluitzendingen. Aanvankelijk woonde hij met zijn vrouw op Keijenbergseweg 9 in Wageningen, waar ook zijn dochter Antonia (Toos) op 11 juni 1935 werd geboren.

Op 1 augustus 1936 werd het gezin Renssen ingeschreven op Nassaulaan 34 in Bennekom. Ook in Bennekom werd Andries van Renssen maatschappelijk actief. In de gereformeerde mannenvereniging, in het bestuur van het Comité voor christelijke winterlezingen en als secretaris van de Oranjevereniging. Tot die fatale januari-ochtend op de spoorwegovergang.

Herdenking

Nog de dag van zijn dood herdacht evangelist Johannes de Heer Andries van Renssen in zijn ziekenuurtje voor NCRV-radio. Op zaterdagmiddag 29 januari werd hij onder grote belangstelling herdacht en begraven. Het verslag daarvan is helaas verloren gegaan.

Op zaterdagmiddag 22 oktober 1938 vond er opnieuw een herdenkingsbijeenkomst plaats op de algemene begraafplaats. De medewerkers en het bestuur van de NCRV hadden het plan opgevat een ‘streng eenvoudig’ grafmonument te plaatsen op Van Renssens laatste rustplaats. Die middag werd het grafmonument aan de familie overgedragen. Andries van Renssens jongere broer Simon dankte namens zijn schoonzus en andere familieleden de NCRV voor alle zorg en het grafmonument. Een grafschrift met het opschrift Gratia Felix.

Blijf staan en vecht

Op 25 september 1944 werd in Ede het leven van de dichter Ben Sikken (1921-1944) in de kiem gesmoord.

De 19-jarige Ben Sikken verhuisde na het bombardement op Rotterdam naar Wageningen. Daar haalde hij in 1941 zijn gymnasiumdiploma. Vanaf 1939 schreef hij gedichten. Tot publiceren kwam hij niet, omdat hij zich dan moest inschrijven bij de Nederlandsche Kultuurkamer. Zo’n inschrijving met Ariërverklaring was verplicht voor iedereen die vanaf voorjaar 1942 wilde publiceren. 

In plaats van schrijver werd Sikken verkenner van de Groep Reynaert van de Geheime Dienst Nederland (GDN) die sinds de lente van 1943 actief was in Nederland. De verzamelde militaire gegevens werden via geheime radioverbindingen naar het Bureau Inlichtingen in Londen verzonden. Zo bracht hij Duitse stellingen en eenheden in kaart in het gebied tussen Rhenen, Renkum, Ede en Veenendaal. Onder andere op de Wageningse Berg.

Avond aan de rivier

Laat mij de zomeravond, en dit veerhuis hier,
dit schaduw-koel terras onder de oude bomen,
laat mij dit uitzicht op de spieg’lende rivier,
en ’t schouwspel van dit kalm verglijdend gaan en komen

der boten: lage aken, soms een donkre bark…
Nu lijkt dit land een droom: hoe edel, ongehavend
ligt ginds de Betuwe: een maatloos bloeiend park
onder de wolkenloze koepel van de avond…

En ‘k zie de wijde Rijn in ’t lieflijk perspectief
van golvend heuvelland der horizon vervloeien-
Mijn God, hoe machteloos heb ik dit landschap lief:
dit rijp azuren licht, dit zorgeloze bloeien…

Hoe wilde ik, dat ik steeds, als deze avond wijd
de mateloze stilte van Uw licht mocht drinken,
en zingen kon! Doch neen: breek op, hervat de strijd,
’t word nacht: dat slechts de taal der stalen wapens klinke.

Op 25 september 1944 werd Ben Sikken op de Wageningse berg betrapt en gearresteerd door de Duitse soldaten. Hij werd afgevoerd naar  Ede. Het verhaal gaat dat zijn stoffelijk overschot achter een Duitse tank in triomf door het dorp werd gereden. Ook ging het verhaal dat hij tussen twee Duitse voertuigen in werd meegevoerd naar Ede. Dat is allemaal niet waar, maar hij werd wel keihard verhoord. o.a. door de beruchte Edese politieagent Abraham Kipp. Kipp was lid van de NSB, trad in dienst van de Waffen-SS en werkte ook voor de Duitse Sicherheitsdienst. Hij stond bekend als de bloedbeul.

Blijf staan en vecht

Niet van den slaap zal ik genezen:
Mijn vuist wordt nimmer hard en hecht.
Wie eenmaal heeft gezegd: 
“ik sta en vecht”
sterft liever met uiteengereten pezen
maar fier en recht,
dan dat hij wijkt, vermoeid, in laffe vrezen,
Blijf staan en vecht!

Tevergeefs werd geprobeerd Sikken tot een uitvoerige bekentenis en het verraad van zijn medeverkenners te dwingen. Toen dat niet lukte werd hij zonder vorm van proces doodgeschoten. Op last van de Duitse bezetter bleef zijn dode lichaam 24 uur op straat liggen. Als afschrikwekkend voorbeeld. Pas toen kreeg het Rode Kruis toestemming zijn lichaam te begraven. Op twee oktober deed begrafenisondernemer Dirk Jan Boeve aangifte van Sikkens overlijden.

Een jaar later, op 25 september 1945, werd Sikken herbegraven te Wageningen (graf RK494). In november 1987 werd in de wijk Hamelakkers de Ben Sikkenlaan onthuld. Zijn naam staat op het Monument voor de Gevallenen aan de Costerweg in Wageningen. In Ede is (nog) niets dat aan Ben Sikken herinnert.

Nagelaten gedichten

Vanaf 1939 tot aan zijn dood heeft Ben Sikken enkele honderden gedichten geschreven, waaruit in 1947 een selectie is gebundeld onder de naam Nagelaten Gedichten (1947). De inleiding van het boek is geschreven door Gabriël Smit, een dichter/journalist die tijdens de Duitse bezetting werkzaam was voor de Nederlandsche Kultuurkamer, als correspondent en als verklikker.

De vrijheid komt

Tijdens de slag om Arnhem (17-25 september 1944) zag de doodzieke dichter Joannes Reddingius de vrijheid naderen. De vrijheid die hij niet meer zou meemaken.

Joannes Reddingius (1873-1944) was een productief schrijver, maar toen 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, raakte z’n dichtader verstopt. Hij was zo zeer overmand door de bezetting dat het hem onmogelijk was te dichten. ‘Het lijden om hem heen, in naaste omgeving en in hele de wereld, wekte een ondragelijk gevoel van verslagenheid en machteloosheid – maar ook onverzettelijke wil tot weerstand.’ (voorwoord Uit de diepte, 1946)

Toen hij op 23 februari 1943 noodgedwongen naar Bennekom verhuisde, kon hij weer dichten. Noodgedwongen, omdat het deel van Den Haag waar ze woonden geëvacueerd werd; het gebied van het Haagsche Bosch waar ze vlak bij woonden werd gebruikt als lanceerplaats voor V1’s.

Bennekom

Ze huurden van een jong onderwijzersgezin op Nassaulaan 34 in Bennekom twee kamers en hadden het naar omstandigheden naar hun zin. ‘De natuur is hier prachtig. Fanny [zijn vrouw] en ik maken groote wandelingen door de bosschen en telkens zien we streken, die we nog niet kenden. […] We hebben lindenboomen in onze laan en dat is heel wat anders dan de rij hooge huizen, die in Den Haag aan de overzij van onze straat oprezen.’ Ze hadden het zo naar hun zin dat ze er een toekomst zagen. ‘We zijn van plan in Gelderland te blijven wonen, misschien wel in Bennekom, maar dat is nog toekomstmuziek’. (Brief aan Weduwe Kloos van 6 mei 1943).


De lucht is rood van goud en stil ik ga
Lang ’t oude wegje waar de beuken staan
En waar ik zien kan tegen gloed der luchten
De blanke berken in haar avonddroom.
O Michaël, wees het herfstgetij
Het menschenhart, dat strijden moet, nabij.

In de stilte van de bossen, ‘waar de sfeer van sterven overeenstemde met onze weemoed om al het bloeiende leven dat door geweld tot een einde kwam’, kwamen de zangen weer tot hem, zoals zijn vrouw het verwoordde. Tussen St. Michaël 1942 en Sint Jan 1944 dichtte honderden gedichten, stil, voor zichzelf. Zijn laatste verzen waren sonnetten die vrijwel alle ontstaan zijn uit zijn bewogenheid met het leed der wereld en met het leed van velen, die hem na waren. 

Luchtlanding

“Hij was in Maart ’44 begonnen te sukkelen, pas op het laatst, eind September, kreeg de dokter zekerheid, dat zich een kwaadaardig proces afspeelde, een gezwel van de Pancreasklier. Hij is temidden van het oorlogsgeweld gestorven, maar zeker dat de bevrijding dichtbij was. De luchtlanding bij Wolfheze op 17 september heeft hij van zijn bed uit gezien en was er diep van onder den indruk.” Zo schreef zijn vrouw na Reddingius’ dood aan P.R. Ritter (brief 27 januari 1946)

Joannes Reddingius overleed op 14 oktober 1944. Nog dezelfde dag van zijn overlijden werd hij op de begraafplaats aan de Alexanderweg begraven. De begrafenis vond in alle stilte plaats.

Een week na zijn dood werd Bennekom geëvacueerd vanwege het oorlogsgeweld. Fanny Reddingius-Salomonson ging naar Lunteren en informeerde slechts enkele naasten over haar mans dood. Zijn vrienden moesten negen maanden later zijn dood uit de krant vernemen.  “Toen hij zeventig [19 juni 1943] werd heeft hij eenige interviews geweigerd, omdat hij zijn naam niet in de krant, zooals die toen was, wilde hebben. Ik wist dan ook, volkomen in zijn geest te handelen, door zijn dood niet in de krant te vermelden.”

Na de bevrijding stuurde zij een bericht aan Vrij Nederland en daarin heeft tegelijk het laatste gedicht gestaan uit een bundel Sonnetten die hij in de Bennekomse oorlogsmaanden dichtte:


De Vrijheid komt, de lucht en d' oceaan
zijn vol van haar, wij ademen haar geest,
over de bergen komt zij tot het dal,
neemt woning in het wezen, dat wij zijn.

Haar stem heeft klank van jeugd, want zij is nieuw
en toch zoo machtig, dat het hart haar hoort,
hare muziek en weet zich Vrijheid's kind,
dat in haar adem leeft en strijden wil.

De wind der Ruimte raakt het vuur van 't bloed
en de Gedachte ontstaat, die is als licht
en d'oertoon klinkt van liefde, die is leven,
wij ademen muziek, ons oog wordt helder.
Het is of een bazuin uit hoogten klinkt:
Volk'ren ontwaakt, de tirannie verzinkt!

Reddingius’ grafsteen is aan één kant gevat in een vierkant zuiltje, waar in de bovenhoek een partje zon is gebeiteld; een sprankje hoop in de duisternis (afdeling 6, vak E, nr. 41-42). Een selectie van zijn Bennekomse oorlogsgedichten verscheen postuum onder de titel Uit de Diepte (1946).

Foto Bert Lever

Reddingius’ grafsteen is aan één kant gevat in een vierkant zuiltje, waar in de bovenhoek een partje zon is gebeiteld; een sprankje hoop in de duisternis (afdeling 6, vak E, nr. 41-42).

Meer informatie in Bennekom te boek (bijdrage Bert Lever).

Een menswaardig bestaan

Op 24 november 1988 verscheen er een foto van de 23-jarige Jolanda Venema in de Leeuwarder Courant. De foto toonde haar naakt en met een ‘Zweedse band’ vastgeketend aan een muur in een lege kamer. De foto was de illustratie bij een interview met haar oudersDe kop luidde ‘Geef ons kind een menswaardig bestaan’. De publiciteitsgolf die hierop volgde, leidde inderdaad tot een ander bestaan.

Bij het schrijven van haar levensverhaal voor het Digitaal Vrouwenlexicon Nederland werd ik misselijk en boos. Hoe kunnen we als mensen zo met elkaar omgaan? (zie ook haar lemma in 1001 vrouwen in de twintigste eeuw).

Jolanda Venema met haar ouders, door onbekende fotograaf, 1988 (ANP Photo).